De belangrijkste conclusies kunnen worden opgesplitst in energetische en economische conclusies.
Op energetisch vlak is de belangrijkste conclusie dat overinvesteringen in PV-installaties maar weinig extra zelfvoorziening opleveren. De voorkeur gaat naar kleinere installaties aangevuld met vraagsturing of batterijen. Hoe meer vraagsturing of opslag, hoe meer zonnepanelen kunnen worden aangeraden. Een zuidelijke oriëntatie van deze panelen blijkt nog steeds de beste.
Slim sturen van warmtepompen kan ervoor zorgen dat tussen de 30 en 50% van het verbruik uit deze zonnepanelen kan worden gehaald. Voor elektrische voertuigen ligt dit maximum ook rond de 50%, afhankelijk van de aanwezigheid van het voertuig overdag. Piekbehoudend sturen bij elektrische voertuigen kan bovendien zonder erg veel comfortverlies.
Op economisch vlak liggen de kaarten anders. Grotere pv-installaties blijken vaak erg rendabel, zelfs bij relatief lage injectievergoedingen. Opslagsystemen werden door de invoering van het capaciteitstarief en afschaffing van de terugdraaiende teller niet rendabel. Ook wanneer deze systemen bijkomend ingezet worden om de gemiddelde maandpiek te reduceren, betalen ze zichzelf zelden terug binnen hun levensduur. Vraagsturing van de grootverbruikers is veel interessanter en voorhanden, al blijkt dat er nog grote stappen moeten worden ondernomen om deze systemen correct te laten samenwerken.
De impact van het capaciteitstarief is voor laagspanningsklanten bijna altijd gering. Voor velen is het interessant om alsnog de maandpieken te reduceren. Voor de andere klantengroepen brengt het capaciteitstarief bijna altijd een stijging van de nettarieven met zich mee. De hoofdoorzaak hiervan is het wegvallen van het zeer gunstige maximumtarief op de transmissienettarieven. Deze groep wordt dus nog sterker aangemoedigd om het verbruik te spreiden.