-
Medical and health sciences
- Cardiology
Hartfalen met verminderde ejectiefractie ('HFrEF') is een belangrijk pandemisch medisch en maatschappelijk probleem met hoge morbiditeit, mortaliteit en een hoge gezondheidskost. Linker bundel tak blok (LBBB) komt voor in 30% van deze patiënten en is zowel een merker als een oorzaak van de gedaalde linker ventrikel ejectiefractie (‘pompfunctie’), zoals onze onderzoeksgroep multicentrisch heeft aangetoond. LBBB veroorzaakt een niet-synchrone ('dyssynchrone') contractie tussen het tussenschot van het hart (het interventriculair septum) en de vrije laterale wand, wat leidt tot een inefficiënte en verlaagde pompfunctie van het hart. Onze onderzoeksgroep introduceerde en valideerde een classificatie voor patiënten met LBBB waarbij de graad van dyssynchronie en pompdysfunctie toeneemt per toenemend stadium binnen deze classificatie (graad 0 tot 4).
De LBBB classificatie staat centraal in het voorgesteld onderzoek en wel met de volgende unieke onderzoeksvragen:
1. De UZ Gent database van onze onderzoeksgroep behelst een unieke populatie van > 500 patiënten met LBBB sinds 2017. Gezien er amper of beperkte data bestaan over het natuurlijk verloop van patiënten met LBBB, welke fundamenteel is om de pathofysiologie van LBBB beter te begrijpen, zullen we dit analyseren adhv. klinische, biochemische en echocardiografische follow-up data en bekijken hoe en waarom deze patiënten evolueren in de LBBB classificatie. Deze informatie is uniek en fundamenteel om inzichten te verwerven mbt. de reden waarom patiënten evolueren binnen de LBBB classificatie.
2. 20 tot 50 % van alle HFrEF patiënten hebben een (erfelijke) genetische mutatie, maar dit werd maar beperkt onderzocht in de LBBB populatie met (of zonder) HFrEF. In samenwerking met de Universiteit van Maastricht (prof. S. Heymans) onderzoeken we momenteel de prevalentie, typering en verdeling van pathologische genetische varianten binnen de LBBB classificatie, welke unieke data en inzichten zullen verschaffen. Dit onderzoek kan belangrijke praktische implicaties hebben met betrekking tot genetische testing bij LBBB patiënten met HFrEF, hun risico stratificiatie en impact op de beslissing met betrekking tot al dan geen inwendige defibrillator of pacemaker met of zonder resynchronisatie. Maw., dit onderzoek kan leiden tot een betere risicostratificatie en behandeling van patiënten met HFrEF en LBBB.
3. Waarom sommige LBBB patiënten progressie vertonen van vroege naar late stadia in de LBBB classificatie en andere patiënten niet, is zo goed als ongekend. We zullen obv. prospectief onderzoek (zie (1)) mogelijke risicofactoren trachten te identificeren, in het bijzonder ook polygenetische risicofactoren. Dit onderzoek van polygentische risicostratificatie waarbij we dus nagaan of er een belangrijk polygeen risico bestaat welke LBBB patiënten doen deterioreren naar hogere LBBB stadia zal samen met de Universiteit van Maastricht onderzocht worden en de dienst Medische Genetica UZ Gent. Dit onderzoek kan dus belangrijke en relevante inzichten doen verwerven in de pathofysiologie van LBBB adhv. polygenetische risicostratificatie.
4. Een deel van de LBBB patienten waarbij de linker hartpompfunctie sterk achteruit is geëvolueerd (linker pomp ejectiefractie < 35%), hebben volgens internationale richtlijnen nood aan een pacemaker of een inwendige defibrillator mét resynchronisatie. Momenteel is het echter niet duidelijk in hoeverre mate en bij welke patiënten de pompfunctie toch nog kan verbeteren met hartfalenmedicatie, zeker sinds de introductie van de zgn. SGLT2-inhibitoren. Dit zou theoretisch er kunnen voor zorgen dat de patiënt dankzij hartfalenmedicatie dusdanig verbeterd dat er geen defibrilator of pacemaker meer nodig is. Internationale richtlijnen adviseren om het effcet van hartfalenmedicatie af te wachten gedurende minstens 3 of 6 maanden vooraleer een resynchronisatie toestel wordt geïmplanteerd. Dit advies berust echter op (een verouderde) expert opinie en het is dus ook niet gekend hoeveel patiënen welke initieel in aanmerking kwamen voor een resynchronisatie toestel, finaal niet meer moeten behandeld worden met resynchronisatie pacing. We onderzoeken dus welke patiënten binnen de LBBB classificatie het best reageren op hartfalen medicatie, wat belangrijke praktische implicaties hebben door dagdagelijkse praktijk (bv. Hoelang moet men behandelen met hartfalen medicatie vooraleer men beslist voor resynchronisatie? Kunnen we op voorhand weten welke patiënt goed zal reageren op de hartfalenmedicatie? etc). Dit onderzoek, de MIRABBEL studie, is een lopende multicenter prospectieve, observationale studie in Vlaanderen (9 centra), gestart in 2025.
5. Ons centrum heeft een (inter)nationale autoritaire positie in het veld van fysiologische pacing van het hart met een speciale pacemaker, welke tal van voordelen heeft tov. de conventionele rechter hart pacing. Bij deze fysiologische pacing pacen we met een pacemaker draad zeer dicht tegen natuurlijke geleidingsvezels van de linker bundel (conductie systeem pacing, CSP), dus aan de linker kant van het interventriculair septum. Dit zorgt theoretisch voor een zo goed als normale activatie van het hart, in tegenstelling tot rechter ventriculaire pacing. Ook bij patiënten met LBBB lijkt CSP beloftevol en misschien zelfs beter dan de klassieke en nog steeds zeer gangbare resynchronisatie techniek van biventriculaire (BiV) pacing. In dit deel van onderzoek (samen met KU Leuven en andere perifere hartcentra in Vlaanderen welke participeren in de gerandomiseerde LeCartes studie) onderzoeken we het effect van CSP bij patiënten binnen de verschillende stadia van de LBBB classificatie. We onderzoeken of CSP ook een gelijkaardig effect heeft op de pompfunctie binnen de verschillende LBBB stadia als BiV pacing. We onderzoeken ook of het typische septale contractiepatroon, welke uniek is per LBBB stadium, goed kan gecorrigeerd worden met CSP en vergelijken dit met klassieke BiV pacing. Dit onderzoek is dus nieuw en uniek in die zin dat het kijkt naar de reden van het therapeutisch effect of falen van zowel BiV pacing als CSP, wat belangrijke implicaties hebben voor de klinische cardiologische praktijk.